De levende arabesk
Dans in de moderne kunst

De jaren rond 1900 moeten erg bewegelijk zijn geweest. Geen kunstvorm was in die tijd zo populair en invloedrijk als dans. Schilder- en beeldhouwkunst, muziek en poëzie en niet te vergeten de decoratieve kunst van de Art Nouveau putten zich uit in het weergeven van beroemde danseressen, dans in het algemeen of dans als 'absoluut ritme'. Uiteindelijk smelten alle kunstvormen samen in het totaalkunstwerk van het Russisch Ballet.

Michel Didier 2001

In de tweede helft van de negentiende eeuw breken moderne kunstenaars op alle mogelijke manieren met de wetten en beperkingen zoals die al eeuwen voor de schilderkunst gelden. Kleuren en lijnen zingen zich los van de voorstelling, de diepte verdwijnt, evenals het centrale perspectief, en contouren lossen op in een mistige floers. De losse toets en de vage ontrekken van de Impressionisten suggereren een grote snelheid van werken, alsof het onderwerp er zonder voorstudies in één keer op is gezet.
Edgar Degas gaat nog een stap verder. Hij wil beweging toevoegen aan zijn schilderijen en schildert daarom dans, of beter gezegd danseressen. Vooral de tutu's van de jeugdige ballerina's geven een indruk van beweging en hun ledematen plaatst hij, heel zorgvuldig, zodanig dat het schilderij een ritme lijkt te hebben. Hiermee zet Degas een toon voor vele kunstenaars na hem: beweging, in de gedaante van het ritme van de dans, wordt als element aan het schilderij toegevoegd. De beeldhouwster Camille Claudel voegt zwierige beweging toe aan de driedimensionale vorm met haar beroemde brons La valse, waarin ruime gewaden het paar lijken te doen zweven.
Auguste Rodin is al eerder begonnen aan een vergelijkbaar project: vanaf zijn tweede grote beeld, Johannes de Doper, bestudeert hij al boetserende de menselijke gang. Ook wetenschappers onderzoeken beweging door middel van nieuwe uitvindingen zoals de chronofotografie, die dravende paarden en rennende mensen vastlegt in een reeks kort na elkaar genomen foto's. Rodin laat een aantal modellen naakt door het atelier lopen en kiest er dan een uit om te volgen met een klomp klei, continu boetserend. Het is een tijd waarin kunstenaars vaak nieuwe ontwikkelingen en ontdekkingen in de natuurwetenschappen volgen en gebruiken om de dingen op een nieuwe, verantwoorde manier zichtbaar te maken.
Het grillige lijnenspel van de Art-Nouveaudecoraties suggereert behalve organische groei eveneens beweging. Zwier en dwarrel omgeven de progressieve bourgeois rond 1900 in zijn moderne interieur. Op het dressoir staat een bronzen beeldje dat een danseres voorstelt met breed uitzwaaiend gewaad en kapsel. Meestal gaat het om een niet gelijkende maar toch herkenbare representatie van Loïe Fuller, een Amerikaanse actrice die jarenlang furore maakt op het Parijse toneel. Fuller, in Parijs om redenen van uitspraak Loé genaamd, heeft geen dansopleiding genoten maar weet het internationale publiek te betoveren met haar zelfbedachte dansen die ze uitvoert met behulp van vele meters textiel. Meestal beelden die dansen de beweging van een dier uit, zoals een slak, een vlinder of een vogel. Naar eigen zeggen stapt ze tijdens een nu vergeten toneelstuk in New York steeds op de zoom van haar veel te lange gewaad, waardoor ze zich gedwongen ziet het met gestrekte armen omhoog te houden en 'als een gevleugelde geest rond te springen'. Het publiek roept applaudisserend 'een vlinder! Een vlinder!' De Serpentine Dance is geboren. Fuller hult zich in dunne zijde en zwaait lappen van zeven meter lang op stokken rond. Vooral aan deze dans heeft ze haar roem te danken. De Symbolist Stéphane Mallarmé wijdt talrijke gedichten aan haar en Debussy vindt dat niemand zijn muziek beter interpreteert dan zij.
Fuller is een van de eersten die consequent gebruik maken van electrisch licht op toneel. Ze gaat nooit op tournee zonder een klein leger electriciens, die gekleurd licht op haar gewaden weten te projecteren, wat in het donker een effect sorteert dat het publiek de adem afsnijdt. Ze vraagt zelfs patent aan op de belichting van onderaf. Toulouse-Lautrec geeft in een litho de bonte zwierigheid van Fullers optreden weer. Hij is slechts een van de vele kunstenaars die in Fuller de belichaming zien van de nieuwe esthetiek van bewegelijke en op natuur gebaseerde vorm. In een Duits boek over de Art Nouveau uit 1941 heet het: 'Zij werd in steeds vermeteler serpentines tot een reusachtig ornament, waarvan de metamorfosen van bewegend oplichten, verzinken, verzwolgen worden door donkerte en het doek ons in de herinnering voorkomen als een symbool van de Jugendstil.'
Fullers internationale doorbraak komt bij de Wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs, waar ze avond aan avond optreedt. Ze is de lieveling van het Parijse publiek, maar maakt ook op buitenlanders veel indruk. De Duitse beeldhouwer Bernhard Hoetger vervaardigt in 1900 voor de kunstenaarskolonie in Darmstadt een bronzen beeldje dat de sierlijke beweging van Fuller probeert te vangen. Raoul François Larche vervaardigt in datzelfde jaar een verguld brons met de beeltenis van de danseres die als 'de levende arabesk' van de Art Nouveau wordt beschouwd. Zijn 'lumineuze' idee is een lamp in de opbollende sluier aan te brengen, waarmee een van de archetypische Art Nouveau-decoraties ontstaat.
Geen van de kunstenaars doet enige moeite de gelaatstrekken van de Amerikaanse te treffen; de suggestie van beweging en van kilometers stof zijn voldoende. Le jeu d'écharpe is een serie van vijftien figuren van biscuitporselein, gemaakt voor de Wereldtentoonstelling van 1900 door de Sèvres-porseleinfabriek. De beeldhouwer Léonard Agathon van Weydeveld ontwikkelt ze uit een nooit gerealiseerd project voor reliëfs in een foyer van een danszaal. Ze stellen de geest van muziek en dans voor, en hoewel houding en beweging van de vrouwenfiguren in hun lange, wijde jurken een klassieke Griekse gratie en evenwicht ademen, zijn ze geïnspireerd op de bollende zijden sjaals van Loïe Fullers choreografieën.
Na 1900 is het vooral Isadora Duncan die tot de kunstenaarsverbeelding spreekt. Deze landgenote van Loïe Fuller heeft met haar gemeen dat ze even weinig formele opleiding heeft genoten, wat ze door inzet en originaliteit ruimschoots compenseert. Duncan brengt de bewegingsleer van een moderne Franse danspedagoog in praktijk, die expressieve, natuurlijk ogende dansen voorschrijft, op blote voeten. Ondanks of juist dankzij Duncans stevige postuur, dat zelfs naar de maatstaven van die tijd niet geschikt lijkt voor ballet, brengt zij zalen tot kolken. Antoine Bourdelle, een assistent van Rodin, vereeuwigt haar en de Belgische beeldhouwer Rik Wouters geeft de naakte expressie van haar woeste dans vorm in het befaamde brons Het zotte geweld.

De eerste expressionistische schilders kiezen vaak danseressen als onderwerp om een ongepolijste natuurlijkheid weer te geven. Ernst Ludwig Kirchner, André Derain, Kees van Dongen en Jan Sluyters schilderen wilde, naakte of halfnaakte danseressen als aanleiding voor een compositie van bonte kleurvlakken in woeste beweging. Henri Matisse heeft de meest indrukwekkende en daarmee controversiële dans op zijn naam staan. In 1909 krijgt hij de opdracht van de rijke verzamelaar van moderne kunst Sjstjoekin om het trappenhuis in zijn ruime woning in Moskou van 'decoratieve panelen' te voorzien. Matisse schildert een jaar aan La danse en La musique, twee panelen van drie bij vier meter. De eerste toont een woeste rondedans van rode figuren tegen een blauwe en groene achtergrond, een poging om een abstracte weergave van puur ritme te maken, in slechts drie mediterraan geïnspireerde kleuren. Hoewel het slechts als 'decoratief paneel' is bedoeld, breekt er een storm van protest over los, eerst in Parijs, waar het tentoongesteld wordt, en later in het huis van de ongelukkige Sjstjoekin. Veel critici zijn het erover eens dat de moderne beweging zichzelf definitief in diskrediet heeft gebracht met zulke betekenisloze, louter decoratieve schilderingen die alleen gemaakt lijken om te choqueren.
Kort voordat de Franse dans naar Moskou gaat, komt de Russische dans naar Parijs. De fameuze Ballets russes zijn een initiatief van een groep kunstminnaars in Sint Petersburg, die de provincialiteit van de Russische kunstwereld aan willen pakken en Rusland open willen breken voor de moderne kunst zoals die in Parijs wordt gemaakt. De oprichters van Wereld van de Kunst zijn vooral erg onder de indruk van de Fauves, de Franse expressionisten onder leiding van Matisse, maar hun ambities gaan verder: ze willen de verschillende kunstvormen versmelten in één uitdrukking. In ballet moeten beeldende kunst, muziek en poëzie samenkomen. Door schilders ontworpen kostuums en decors leveren als het ware bewegende schilderijen op. De schilders Léon Bakst en Alexandre Benois en de producent Serge Diaghilev veroveren met hun spectaculaire, op Russische folklore en 1001 Nacht gebaseerde voorstellingen eerst het Russische en vervolgens het Berlijnse publiek en maken zich dan op voor de hoofdprijs: Parijs. In 1909 strijken ze in de Franse hoofdstad neer en zijn ze een onmiddellijk succes. Vooral de bonte kleuren en het ongeremde exotisme jagen de hoofden op hol en inspireren parfums, mode en andere toegepaste kunst.
De schreeuwende, contrasterende kleuren van de Ballets Russes zijn ontleend aan de schilderijen van de Fauves, maar deze schilders zijn enthousiaste bezoekers van de 'soirées russes' en Derain, Matisse en Van Dongen laten zich op hun beurt weer inspireren tot 'dansende' schilderijen. De oude Rodin maakt een serie kleine figuurtjes die 'dans' voorstellen; een ervan, uit 1912, is genoemd naar de Russische sterdanser Nijinski. Het is geen portret, maar een gestileerde weergave van zijn choreografie. Schrijvers laten zich evenmin onbetuigd. Paul Valéry schrijft het gedicht L'âme et la danse. André Gide en Paul Claudel celebreren het 'nieuwe ritme'.
Andere balletgroepen volgen in het spoor van de Russen in Parijs. Ida Rubinstein komt met het Russisch Ballet naar Parijs. Rubinstein is een schatrijke erfgename die haar fortuin in dienst stelt van de Kunst. Zij biedt Wereld van de kunst aan hun ballet te financieren, op voorwaarde dat zij er de hoofdrollen (of in ieder geval een aantal) mag dansen. Hoewel zij niet over noemenswaardig danstalent beschikt, maakt haar toneelprésence veel goed. In Parijs is haar morbide femme fatale Cleopatra een sensatie. Nog indrukwekkender is haar dans van de zeven sluiers in Salomé van Glazoenov, op een tekst van Oscar Wilde, in pantomime. Met Diaghilev produceert ze Schéhérazade van Rimsky-Korsakov, een fabelachtig succes dat voorgoed de legende van het Russisch Ballet in Parijs vestigt, maar Rubinstein gaat na een seizoen al haar eigen weg. Van 1914 tot 1929 treedt zij op met haar eigen gezelschap en viert triomfen met La valse en de Boléro van Ravel. De vele beeldjes van 'Egyptische' danseressen uit de jaren tien zijn in feite een weergave van Rubinsteins Cleopatra.
Ook Les Ballets du Marquis de Cuévas spreken tot de artistieke verbeelding. De in de vergetelheid geraakte Valentine de Saint-Point combineert dans met lichtprojecties en schaduwspel. Haar spectaculaire producties, samen met Londense voorstellingen van de Ballets Russes en de beginnende jazzkoorts in Europa zetten de Engelse avant-gardebeweging aan tot een volledige versmelting van vorm en inhoud. De Vorticisten onder aanvoering van Ezra Pound proberen het 'absolute ritme' van diens vrije verzen visueel te vertalen in hun schilderijen van 1913-1915. Titels als Study for Two Step (William Roberts) en Red Duet (Wyndham Lewis) spreken voor zich.
In 1917 bekennen de Ballets russes zich tenslotte tot de moderne kunst. Tot dan toe hebben Russische en Franse componisten en librettisten escapistische sprookjes of woeste scènes uit het heidense Rusland geleverd voor de bonte kostuums en decors van Russische kunstenaars. Nu krijgt de piepjonge Jean Cocteau de vrije hand in een radicaal moderne productie, waarvoor Erik Satie de muziek schrijft (met partijen voor typemachine, revolver en propeller) en Picasso de aankleding verzorgt. Parade behelst niet meer dan een circusoptocht met karikaturaal uitvergrote figuren op een banaal soort carnavalsmuziek. De reacties zijn ongekend. Diagilev vlucht meteen na de première naar Londen. Satie en Cocteau moeten bij het verlaten van het theater oppassen dat hun ogen niet worden uitgekrabd. Parade wordt een fenomeen, een spreekwoordelijk ijkpunt van het avant-garde-totaalkunstwerk. Guillaume Apollinaire introduceert in zijn artikel Parade ou l'esprit nouveau een nieuwe term die evenzeer spreekwoordelijk wordt voor de jaren twintig. Een paar jaar later noemde le Corbusier zijn bijdrage aan de wereldtentoonstelling in parijs (1925) het Pavillon de l'esprit Nouveau.
Ondanks de felle reacties is de productie een succes. Het wordt mode de liefde in de loges te bedrijven tijdens Parade. En Picasso wordt een vaste medewerker aan het Russisch Ballet. Het is voor hem een uitgelezen kans om zijn werk in beweging te zien. Vooral met Stravinsky werkt hij innig samen gedurende de jaren twintig.
Igor Stravinsky schrijft in dat roemruchte jaar 1917 maar één ballet voor Diaghilev, dat slechts in kleine kring word uitgevoerd. Feu d'artifice is een ballet zonder ballerina's: de rol van de menselijke dansers is geheel overgenomen door puur licht, kleur en beweging. De Italiaanse Futurist Giacomo Balla ontwerpt een decor waar nu alleen nog een miniatuurreconstructie van bestaat, met bewegende lampen en roterende schijven ervoor. Het is een geheel nieuw concept voor ballet dat weinig navolging heeft gekend.

Gebruikte literatuur
BEYER, M.V., en M.J. Ludmann (uitg.), Les Ballets russes de Serge Diaghilev 1909-1929, Straatsburg: Musées de Strasbourg, 1969
BRODY, Elaine, Paris. The Musical Kaleidoscope 1870-1925, Londen: Robson, 1988
ISBN 0-86051-505-2
MAUR, Karin von, The Sound of Painting. Music in Modern Art, München etc: Prestel, 1999
FAHR-BECKER, Gabriele, Jugendstil, Keulen (Könemann) 1996 (Nederlandse uitgave 1997)
ISBN 3-89508-446-8
ESCRITT, Stephen, Art Nouveau, Londen: Phaidon, 2000
ISBN 0714838225

Origine 6, 2001