De utopie van een groothertog

Ernst Ludwig van Hessen-Darmstadt en de Art Nouveau

 

 

Michel Didier 2001

 

 

Rond 1900 puilde de maatschappelijke bovenlaag van Europa uit van verwanten van de Engelse koningin Victoria. Behalve in Engeland waren haar veertig kleinkinderen vooral in Duitsland en Rusland te vinden. Haar lievelingsdochter Alice was getrouwd met de groothertog van Hessen und zu Rhein en hun oudste kind, Ernst Ludwig, was Victoria’s favoriete kleinkind. De mater familias bezocht de provinciale residentie Darmstadt dan ook regelmatig, en op zijn beurt bracht Ernst Ludwig veel tijd door in Engeland, waar hij bekend stond als ‘Ernie’. Het was ook Victoria die voor de geslachtsrijpe vorst-in-spé een bruid in petto had, nota bene een ander kleinkind van haar, dochter van Alfred van Edinburgh, later van Coburg. Victoria’s erbij gesleepte lijfarts stelde weliswaar vast dat een verbintenis tussen twee zo nauw verwanten bedenkelijk was, maar eigenlijk ook weer niet zo bedenkelijk. Ze trouwden en het was een weinig gelukkige verbintenis.

Maar Ernst Ludwig kreeg wat anders aan zijn hoofd. In 1892 overleed zijn vader plotseling en zag hij zich gesteld voor de taak de heerschappij over het kleine vorstendom over te nemen. Een landje dienen dat door de grotere Duitse staten, niet in de laatste plaats bij Bismarcks Pruisen, nauwelijks serieus werd genomen, was geen zware opgave. De 24-jarige groothertog kon dus meer dan de helft van zijn tijd besteden aan het patroneren der schone kunsten, waartoe hij zelf veel aanleg bezat. Hij dichtte en aquarelleerde zeer behoorlijk, maar zag zijn roeping om Hessen op te voeden veel meer door laving aan een internationale moderne kunstwereld. De onderdanen moesten nog wel even worden aangespoord. Na de eerste kabinetszitting met Ernst Ludwig als groothertog, hoorde hij zijn eerste minster verzuchten: ‘Mit dem Grossherzog ist nichts anzufangen, er steckt voller Utopien!’

 

Museum

Al meteen na zijn aantreden vatte Ernst Ludwig het plan op om de groothertogelijke kunstcollectie, die tot dan toe in het residentiepaleis was gevestigd, toegankelijker te maken voor zijn volk. Hetzelfde jaar nog werd een prijsvraag gehouden en een expositie van de ingezonden bouwplannen. In zijn mémoires gewaagt Ernst Ludwig van de winnende inzending als ‘ein gefühllosen, hässlichen Kasten’. Zijn favoriete ontwerp, van de Münchense architect Thiersch, was echter te duur. Dus ging de vorst op zoek naar een inheemse, Hessische architect en vond die in Alfred Messel. Voortvarend gaf Ernst Ludwig hem de opdracht, buiten het comité om, en fourneerde hij de benodigde gelden. Tussen 1897 en 1902 verrees het gebouw op de plaats van het exercitiegebouw, zodat de kunst als het ware het leger verdrong in de schoot van de binnenstad.

De trotse groothertog merkte het uiteindelijke gebouw aan als voorbeeld van moderne architectuur, maar op ons komt het nu over als een typisch Duits, saai, half-classicistisch overheidsgebouw uit de Gründerzeit. Het publiek moest overigens nog vier jaar geduld oefenen voordat het museum officieel werd geopend. Rond 1912 werd de ingangspartij opgeluisterd met twee stoere bronzen leeuwen en twee ijzeren vlaggenmasten met naakte mannenfiguren die spreuken dragen als ‘Eer aan God’, ‘Eer aan de soldaat’ en ‘Eer aan de kunstenaar’, spreuken die door de gelovige vorst zelf lijken ingegeven.

 

Mathildenhöhe
Intussen was bij de groothertog het plan gerezen om Darmstadt op te stoten in de vaart der volkeren. Niet gespeend van zelfspot schreef hij dat zijn hoofdstad eind 19e eeuw met Karlsruhe en nog veel kleinere residentiestadjes streed om de prijs voor ‘spiessbürgerlichen Verschlafenheit’, en daar zou hij eens wat aan gaan doen. Darmstadt zou een centrum worden van moderne kunstnijverheid en daarom moesten moderne kunstenaars naar de stad worden gelokt. Op een heuvel buiten het centrum zou voor hen een kolonie worden opgericht en hun ontwerpen zouden de Hessische nijverheid een flinke impuls geven.

Op deze heuvel, de Mathildenhöhe, waren kort tevoren al wat bouwwerken verrezen: het stedelijk drinkwaterreservoir, een platanenwoudje en een Russische kapel. Ernst Ludwigs zuster Alice was namelijk met tsaar Nicolaas II getrouwd en Alexandra gaan heten. Zij en haar man bezochten Darmstadt regelmatig, tot ze in de ban kwam van Raspoetin, de Eerste Wereldoorlog uitbrak en met de hele tsarenfamilie tenslotte werd geofferd op het altaar van de Revolutie. Bij bezoeken van deze zoveelste kleindochter van Victoria moest natuurlijk een Russisch-orthodoxe dienst kunnen worden verricht. Er was speciaal een bouwmeester uit Sint-Petersburg voor overgekomen, Alexandre Benois.

Omdat Ernst Ludwig veel in Engeland had vertoefd, liet hij zich voor zijn grootse project inspireren door de Engelse Arts and Crafts-beweging. In 1897 liet hij enkele vertrekken in zijn residentie, tegenover het museum, inrichten door Mackay Hugh Bailey-Scott en Charles Robert Ashbee. Zijn ideeën voor een totaalkunstwerk ontleende hij aan die van John Ruskin en Robert Morris.

Als eerste kunstenaar voor zijn kolonie trok Ernst Ludwig de nog zeer jonge Weense architect Josef Maria Olbrich aan, die in 1898 naam had gemaakt met zijn eerste bouwsel, het expositiegebouw van de Secession aan de Karlsplatz. Dit symbool van Weense Art Nouveau met de koepel van vergulde laurierbladeren, in de Weense volksmond alras ‘de gouden bloemkool’ genaamd, gaf Ernst Ludwig het idee de juiste man voor de verwezenlijking van zijn ideaal te hebben gevonden. Enthousiast omschreef Olbrich zijn eigen ideaal: ‘Een stad moeten we bouwen, een complete stad! Al het andere is niets!…een leeg, weids veld; en daar zullen we laten zien, wat we kunnen; van het geheel tot in de kleinste details...in het midden echter, als een tempel in een heilig woud, een huis der arbeid, tegelijk atelier voor de kunstenaars en werkplaats voor de ambachtslieden.’

 

Kunstenaarskolonie Darmstadt

En die tempel verscheen op de Mathildenhöhe, tegelijk met een handvol kunstenaarsvilla’s, tussen 1899 en 1901. De ingang tot het ateliergebouw werd geflankeerd door heroïsche beelden van een man en een vrouw die respectievelijk ‘Kracht’ en ‘Schoonheid’ voorstellen, gemaakt door een uit Darmstadt afkomstige beeldhouwer, Ludwig Habig, die eveneens was toegetreden tot de kunstenaarskolonie. Twee krijgshaftige overwinningsgodinnen van Rudolf Bosselt belichaamden het optimisme van de nieuwe kunst, die tegenwoordig algemeen onder Art Nouveau of Jugendstil wordt geschaard, maar de KKD’ers (Künstler Kolonie Darmstadt) waren felle tegenstanders van ‘dieser Art von Kunst’. Zij jaagden een ‘Volkskunst’ na, die het volk dient en door het volk gehuldigd wordt, gegrondvest op ‘eenvoud, natuur en poëzie’. Op de Mathildenhöhe was dus geen sprake van de exuberante versierselen die de Parijse en Brusselse herenhuizen uit die tijd kenmerken, hoewel een duidelijke versieringsdrang de kunstenaars niet kon worden ontzegd. De zeven aangetrokken kunstenaars ontvingen een jaargeld met aftrek van kost en inwoning. Ze moesten hun villa zelf bekostigen. De overige kosten kwamen voor rekening van de groothertog.

Olbrich ontwierp alle gebouwen, op één na: Peter Behrens ontwierp zijn villa zelf. Behrens werkte tot dat moment in Berlijn, waar hij een zeer populaire houtsnede maakte, getiteld ‘De kus’, gekenmerkt door weelderige haardossen waarvan de lijnen als zelfstandige arabesken over de voorstelling uitwaaieren. Voor zijn villa gebruikt hij dezelfde verhoudingen. Hij maakte in Darmstadt ontwerpen voor gebruiksvoorwerpen als lampen en meubels, maar keerde de stad de rug toe na afloop van zijn contract in 1903 om leiding te geven aan de kunstnijverheidsschool in Düsseldorf. Hij nam Rudolf Bosselt met zich mee.

Behrens’ huis, geïnspireerd door Henry van de Velde en Charles Rennie Mackintosh, werd in de kritiek een ‘hiëratisch-koude feestelijkheid’ aangewreven en Olbrichs eigen villa werd spottend ‘het Blauwe Wonder’ genoemd. Beter ontvangen werden de twee huizen voor de meubelhandelaar Glückert, grote witte villa’s met een weelde aan versieringen binnen en buiten. Habig vervaardigde fonteinen en allerhande beeldhouwwerk op het terrein. De inwijding van de kolonie viel samen met de eerste tentoonstelling van de KKD in 1901. Met veel élan en man en macht was gewerkt aan een overstelpende hoeveelheid gebruiksgoederen die door de kunstenaars waren ontworpen en door Hessische ambachtslieden vervaardigd. Na afloop kwam de ontnuchtering: er was een gevoelig verlies geleden, want er was maar weinig verkocht. De helft van de kolonie verliet de stad na afloop van hun contract en hun plaatsen werden opgevuld door anderen, elders uit Duitsland.

Olbrich en Habig bleven om nog veel moois te maken. Habig vervaardigde het fraaie monument voor groothertogin Alice, de overleden moeder van Ernst Ludwig. Olbrich ontwierp een speelhuisje in de tuin van de zomerresidentie Wolfsgarten ter nagedachtenis aan Ernst Ludwigs dochtertje Elisabeth, dat op achtjarige leeftijd aan de tyfus was gestorven tijdens een familiebezoek aan Rusland. Het piepkleine huisje is in uitgesproken Art Nouveaustijl gebouwd.

 

Componisten

Ernst Ludwig jaagde zijn totaalkunst-ideaal na door beroemde componisten als Max Reger en Hans Pfitzner naar Darmstadt te halen. Zelf ensceneerde en regisseerde hij opera’s, waaronder de gehele Ring des Nibelungen. Olbrich wilde ook de schrijvers Hugo von Hofmannsthal, Maurice Maeterlinck en Gabriele d’Annunzio inlijven, maar zo ver reikten de kleinvorstelijke middelen helaas niet.

In het jaar 1901 scheidde de groothertog dan eindelijk van de hem door zijn oma aangesmeerde echtgenote. Vier jaar later hertrouwde hij met een vrouw van eigen keuze, Eleonore zu Solms-Hohensolms-Lich. Ter ere van het huwelijk schonk de stad een indrukwekkende toren, ontworpen door Olbrich, met schitterende allegorische mozaïeken van Friedrich Wilhelm Kleukens. De Hochzeitsturm kwam bovenop de Mathildenhöhe te staan en is met zijn vijf als vingers gevormde bogen nog altijd het herkenningsteken van de KKD. Ernaast verrees een fors tentoonstellingsgebouw, dat diende als middelpunt voor de groots opgezette expositie van 1908. Deze derde tentoonstelling was een doorslaand succes: er werd een flinke winst gemaakt en eindelijk zag Ernst Ludwig zijn droom verwerkelijkt van het samengaan van kunst en nijverheid, ja van kunst en leven. De pas veertigjarige Olbrich, wiens ster dankzij zijn werk in Darmstadt tot internationale hoogten was gerezen, stierf echter plotseling, kort na de tentoonstelling. Hij was een van de productiefste architecten van de hele Art Nouveau-periode geweest en had zich naast bouwkunst ook beziggehouden met grafiek en het ontwerpen van tingoed. Voor Wilhelm Opel ontwierp hij in 1906 zelfs een carrosserie.

Onder de kunstenaars die in de loop der jaren de gelederen van de KKD kwamen versterken, waren de schilder Johann Vincenz Cissarz, die zich voornamelijk met grafiek bezighield, de beeldhouwer Bernhard Hoetger en de architect Alwin Müller, die zich Albinmüller noemde en Olbrichs leidersrol overnam. Hij legde zich toe op alle facetten van de kunstnijverheid; vooral zijn keramiek was zeer populair. Voor de laatste van het toenemend aantal exposities tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontwierp hij de nog altijd bestaande Zwanentempel en de vijver voor de Russische kapel. Hoetger, die tijdens zijn opleiding in Parijs doorkneed was in de Franse Art Nouveau, vormde het platanenwoud om tot een zwaar symbolische beeldentuin, met vrijstaande, gekleurde reliëfs die geïnspireerd waren op Indiase denkers als Krisjna. Tien jaar eerder was Ernst Ludwig tijdens een maandenlange reis diep onder de indruk geraakt van India. Het Platanenhain moest de eeuwige terugkeer van het leven symboliseren.

Tijdens de wereldbrand lagen alle kunstenaarsactiviteiten stil in Darmstadt. Ernst Ludwig kweet zich van zijn militaire taken als Duits vorst en zette zich vooral aan het thuisfront in. Tijdens de novemberrevolutie die pal na de wapenstilstand over geheel Duitsland woedde, moest hij van zijn troonsaanspraken afzien, hoewel zijn onderdanen hem op handen droegen en meer vertrouwen in hem stelden dan in de republikeinen die het nieuwe bestuur vormden van de ‘Volksstaat Hessen’. In gedwongen ledigheid sleet hij zijn dagen in Wolfsgarten, waar hij zich stortte op de tuinaanleg, meubels ontwierp, de toiletten van zijn eega en het doopkleed van zijn eerste kleinkind. Hij moest ook nog meemaken hoe het nog zelfstandige Hessen opging in het Derde Rijk, voor hij stierf in 1936. Maar deze moderne vorst had nooit te zeer aan het verleden gehangen, want ‘het gisteren is maar een schaduw in het licht van het heden, dat van het morgen droomt.’

 

 

Carl Benno Heller (red.), Jugendstil. Kunst um 1900, catalogus Hessisches Landesmuseum, Darmstadt: Eduard Roether, 1982

Golo Mann, Der Letzte Grossherzog, Darmstadt 1977

Gerhard Bott, Die Gemäldegalerie des Hessischen Landesmuseums in Darmstadt, Darmstadt: Peters, 1968

Gerhard Bott (red.), Jugendstil – Art Nouveau – Modern Style – Nieuwe Kunst, Darmstadt: Eduard Roether, 1973

Gabriele Fahr-Becker, Jugendstil, Keulen (Könemann) 1996 (Nederlandse uitgave 1997)