De nobele vechtkunst
De ‘moeder van alle sporten’ was voor Grieken en Romeinen ongetwijfeld worstelen, met boksen als goede tweede. Beide sporten werden pas in de achttiende eeuw weer professioneel beoefend, eerst in Engeland en vervolgens, begin negentiende eeuw op het continent. Naast de Engelse versie verzonnen de Fransen ook een ‘klassieke’ of Grieks-Romeinse vorm van beide sporten. Bij kunstenaars was aanvankelijk worstelen zeer populair, vooral bij Realisten als Daumier en Courbet. Ook befaamde beeldhouwers Rodin en Rembrandt Bugatti gebruiken worstelaars voor hun haast dierlijke ‘atleten’. Het rauwe, volkse karakter van boksen en worstelen leent zich goed voor de ongepolijste, bijkans primitieve stijl van de New Yorkse Ashcan School-schilders George Luks en George Bellows; de Russische primitiviste Natalia Gontsjarova gooit er juist felle kleurcontrasten tegenaan en de Brücke-voorman Ernst Ludwig Kirchner gebruikt kleurcontrasten om zijn worstelaars beweging mee te geven.
Datzelfde doen de kubistische beeldhouwers Henri Laurens en Alexandre Archipenko, de Italiaanse Futuristen Carlo Carrà en Umberto Boccioni en de Londense Vorticisten William Roberts en Henri Gaudier-Brzeska.
Ook Isaac Israels schildert in 1914-15 een bokser, drie keer zelfs, die geprezen wordt om de trefzekere kleurtoetsen; het gaat om een zwarte bokser, in rust, zoals Israels bij voorkeur zijn modellen posteert. De identiteit is nog onbekend, maar in deze tijd is de eerste zwarte wereldkampioen zwaargewicht, de Amerikaan Jack Johnson, op ieders lippen. Achtereenvolgende bokskampioenen zijn ware volkshelden en spreken daarmee ook moderne kunstenaars aan, die boksen net als dansen vereenzelvigen met de dynamische, moderne wereld. Georges Carpentier is rond 1920 onderwerp van talloze beelden en beeldjes in Frankrijk, gevolgd door Max Schmeling in Duitsland en Primo Carnera in Italië.
De gigant Carnera wordt enigszins potsierlijk geportretteerd door de voormalige futurist Giacomo Balla en ronduit gekarikaturaliseerd door de beeldhouwer Romeo Gregori. Bokskampioenen komen, net altijd, uit achterstandswijken. Ook Max Schmeling wordt een working class hero, als zodanig geportretteerd door de communistische schilder George Grosz. Zijn spierbundels worden bezongen door de beeldhouwster Renée Sintenis en hij wordt naakt gefotografeerd als ‘klassieke’ atleet.
Al rond 1910 heeft worstelen afgedaan voor het grote publiek vanwege het kunstmatige, geënsceneerde amusementskarakter en blijft boksen over als de ultieme krachtmeting. In de gepolitiseerde jaren dertig wordt boksen onvermijdelijk voor propagandadoelen ingezet: Carnera laat zich fêteren als incarnatie van de Nieuwe Orde van Mussolini en Schmeling moet veel moeite doen om los gezien te worden van het nazi-regime: in Amerika is hij aanvankelijk populair, vooral als Great White Hope voor racisten die bang zijn voor gevolgen van het wereldkampioenschap  van de zwarte held Joe Louis, maar als Schmeling in 1936 Louis knock-out slaat en de nazi’s dat propagandistisch uitbuiten, wordt de return in 1938 een zaak van nationaal en raciaal prestige: Schmeling, die een joodse trainer heeft gekozen, wordt tegen zijn wil vergezeld door een nazi-commissaris en als hij in de eerste ronde knock-out gaat, viert heel Amerika, de regering incluis, dat als overwinning van de democratie op het fascisme.
Het einde voor de nobele vechtkunst…
Gratis bekijken: hier!
Meer kunst en sport: daar!