Rembrandt

Rembrandt
De Nachtwacht, Rembrandtplein

De Rembrandt zoals wij die kennen is een andere dan die van de negentiende of twintigste eeuw: opeenvolgende tentoonstellingen en studies hebben beetje bij beetje de romantische legenden eraf gepeuterd. Toch blijven verschillende mythen hardnekkig herhaald worden.

Rembrandts afkomst
Rembrandts ouders waren Harmen Gerritsz van Rijn, molenaar, en Neeltgen Willemsdr. van Zuytbrouck, een welgestelde bakkersdochter. Zijn vader was mede-eigenaar van de nu verdwenen standerdmolen De Rijn, waar mout werd gemalen voor de bierbrouwerijen. Daarnaast bezat hij enkele huizen in Leiden en kon hij zijn kinderen naar de Latijnse school sturen; Rembrandt werd zelfs ingeschreven voor de universiteit (als Rembrandus), hoewel hij geen colleges ging volgen. Toen zijn moeder in 1640 overleed erfde hij liefst 2.490 gulden.
Rembrandt was dus geen kind van een eenvoudige molenaar. Zijn eerste vrouw Saskia van Uylenburgh was ook geen boerin uit Waterland, zoals de schildersbiograaf Arnold Houbraken (1660-1719) veronderstelde, maar kwam uit een aanzienlijke Friese familie, zoals pas halverwege de negentiende eeuw door stadsarchivaris Wopke Eekhoff werd ontdekt.
Tenslotte kon Rembrandt in 1631, toen hij aankwam in Amsterdam, de lieve som van duizend gulden lenen aan de kunsthandelaar Hendrick van Uylenburgh.

Rembrandts moeder

Ongeveer de helft van Rembrandts Leidse werken bestaat uit schilderijen, etsen en tekeningen waarop oudere mensen zijn verbeeld. Hierin figureert veelvuldig een oude vrouw die traditioneel als Rembrandts moeder, Neeltje Willemsdr. van Zuijdtbroeck, wordt aangemerkt. Ook zijn ateliergenoot Jan Lievens en zijn leerling Gerrit Dou hebben dezelfde vrouw gebruikt voor genretafereeltjes, evenals de oude man die in allerlei kostuums poseert en vanaf de negentiende eeuw Rembrandts vader wordt genoemd. Hiervoor bestaat geen enkel bewijs, daar er geen portretten bekend zijn van Rembrandts familie.

 

Leermeesters
In Leiden was Rembrandt enkele jaren in de leer bij de bekende schilder Isaac van Swanenborgh en in 1626 ging hij naar Amsterdam om een half jaar te werken in het atelier van de gerenommeerde historieschilder Pieter Lastman. Tot en met de twintigste eeuw is de kwaliteit van beide schilders altijd geminimaliseerd, om aan te geven hoezeer Rembrandt een natuurtalent was dat alles van zichzelf had.

De Nachtwacht
Naast het nieuwe stadhuis was de grootste kunstopdracht in 17e-eeuws Amsterdam de nieuwe banketzaal van de Kloveniersdoelen rond 1638. Nooit eerder hadden, in Amsterdam of zelfs de Republiek, schilders in zo’n groots publiek project met elkaar moeten wedijveren in creatieve vindingrijkheid en technisch vakmanschap. Govaert Flinck, Rembrandt, Nicolaes Eliasz Pickenoy, Bartholomeus van der Helst, Jacob Backer en Joachim von Sandrart kregen opdracht voor zeven schilderijen in de ‘Groote Sael’, de belangrijkste ontvangsthal van de stad, waar het stadsbestuur grote banketten en festiviteiten liet houden.
Ondanks hun verschillende achtergrond hadden Rembrandt, Govaert Flinck, Jacob Backer, Joachim von Sandrart, Bartholomeus van der Helst en Nicolaes Eliasz Pickenoy een ding gemeen: hun connectie met de machtige kunsthandelaar Hendrick Uylenburgh. Hij had Rembrandt, Flinck en Backer naar Amsterdam gehaald om voor hem te werken en woonde naast Pickenoy – de leermeester van Van der Helst.

Het is een romantische mythe dat Rembrandt in financiële moeilijkheden raakte omdat sommige schutters zich niet goed afgebeeld voelden; daar is geen enkel bewijs voor. Zijn portretopdrachten liepen wel sterk terug na een geschil met de machtige Andries de Graeff.

De joodse Rembrandt
In de afgelopen eeuwen is de romantische mythe ontstaan dat Rembrandt een speciale band met joden had. Hij zou bevriend zijn geweest met de filosoof Spinoza en rabbijn Menasse ben Israël. In zijn schilderijen zag men soms zelfs sporen van joodse mystiek (kabbala) en verwijzingen naar het jodendom. De mensen uit Rembrandts dagelijkse omgeving, de Jodenbuurt, zouden zijn inspiratiebron zijn geweest voor vele tekeningen en portretten. David de Jong in 1957 schreef in ‘Rembrandt vorst der schilders‘: ‘Al spoedig, toen Rembrandt tussen de joden kwam wonen, werd hij onweerstaanbaar door hun wezen geboeid. Het jodendom gaf voedsel aan zijn fantasie, zijn gevoel voor poëzie, zijn eerbied voor wijsheid en vroomheid.’
De Breestraat of St. Anthonisbreestraat (pas veel later de Jodenbreestraat) was een brede straat met voorname koopmanswoningen in een nieuwe buurt met veel ruimte, waar zich Portugese joden, Belgische calvinisten en Friese doopsgezinden vestigden, maar ook kunstenaars. Het was in de zeventiende eeuw dus geen ‘jodenbuurt’.

Bankroet
Rembrandt leefde in die tijd boven zijn stand. Met regelmaat kocht hij exotische voorwerpen waaronder bijzondere kledingstukken, die hij vaak in zijn schilderijen gebruikte. Al jaren stroopte Rembrandt veilingen af om kunst te kopen, soms dure prenten van de door hem bewonderde Lucas van Leyden. In 1656 kon hij zijn verplichtingen niet meer nakomen om de leningen voor zijn huis af te betalen. Burgemeester Cornelis Jan Witsen wilde vanwege de Eerste Engels-Nederlandse Oorlog zijn uitgeleende geld terug en vroeg Rembrandts faillissement aan. De inventarisatie van het gehele bezit volgde en deze 363 nummers tellende lijst vormt een belangrijke bron voor inzicht in Rembrandts leven. Tegenover armetierige huisraad stond een rijkdom aan kunstvoorwerpen. Naast schilderijen en een verzameling antieke portretten, wapens e.d. een waardevolle collectie tekeningen en grafiek. Op een veiling werden in 1658 Rembrandts huis en inboedel verkocht. Het pand ging drie keer onder de hamer voordat het was verkocht.
Rembrandt betrok een kleinere huurwoning op Rozengracht 184. Hij moet tijdens de afwikkeling van het bankroet deskundige juridische adviseurs hebben gehad, want Titus had zijn vader benoemd tot enig erfgenaam en de familie Uylenburgh had het nakijken. Hendrickje en Titus werden eigenaars van de schilder- en kunsthandel, zodat Rembrandt ongeplaagd door crediteuren in het atelier op de Bloemgracht kon blijven produceren.
Rembrandt stierf op 4 oktober 1669 en werd vier dagen later begraven in een gehuurd graf in de Westerkerk. De nabestaanden betaalden 15 gulden aan de koster, een voor die tijd aanzienlijk bedrag, omdat Rembrandt geen eigen graf bezat. Volgens het overlijdensregister van de kerk: ‘Rembrandt van Rijn, schilder, wonende Rozengracht tegenover het Doolhof, kist met zestien dragers… Kosten: 20 gulden’. Zijn enige erfgenaam was Titus’ postume dochter Titia, die in 1671 een bedrag van 3.150 gulden kreeg uitgekeerd, afkomstig uit de verkoop van schilderijen, tekeningen en ‘rariteiten’ van haar grootvader.
Rembrandt is, kortom, niet arm geboren, niet arm geworden en niet arm gestorven.